Foto’s: Bob Walsarie Wolff // Illustraties: Elias Bergqvist & Rick van Staten
Het langgerekte Öland is het op één na grootste eiland van Zweden en ligt langs de oostkust. Het eiland is 137 kilometer lang, maar op het breedste punt slechts 16 kilometer breed. Het is daarmee ook het kleinste Zweedse landskap. Het zuidelijkste puntje ligt ongeveer ter hoogte van Karlskrona, terwijl de noordelijkste oever boven Oskarshamn ligt. Over het eiland duurt dit noord-zuid tripje met de auto ruim tweeënhalf uur. Als je per auto naar het eiland toe wilt heb je eigenlijk maar één optie: de Ölandsbron. De langste brug van Zweden (de Öresundsbron staat gedeeltelijk op Deens grondgebied) brengt je van Kalmar in Småland naar Färjestaden aan de andere kant van de Kalmarsund. ’s Zomers is er trouwens ook nog een veerboot tussen Oskarshamn en Byxelkrok, aan de noordkant van het eiland.

Öland
Land: Zweden
Provincie: Kalmar län
Oppervlakte: 1347 km2
Inwoners: 26.617

Geschiedenis
Tijdens de ijzertijd was het eiland relatief dichtbevolkt en goed georganiseerd. Overblijfselen van versterkte dorpen, zoals Eketorp, laten zien hoe de bewoners zich verdedigden tegen piraten en rivaliserende stammen. In de Vikingtijd maakte Öland deel uit van een netwerk van zeevaarders en handelaars die tot aan het Midden-Oosten reisden.
Rond het jaar 1000 begon voor Öland een nieuw tijdperk. De bewoners, tot dan toe vooral heidens, bekeerden zich geleidelijk tot het christendom. Over het hele eiland verrezen stenen kerken, vaak op plekken waar vroeger heilige bronnen of offerplaatsen lagen. Deze kerken, waarvan sommige nog steeds bestaan, vormden het hart van kleine boerengemeenschappen die leefden van akkerbouw, veeteelt en visserij. In de middeleeuwen werd Öland bovendien een integraal onderdeel van het groeiende Zweedse koninkrijk. Door zijn ligging in de Oostzee was het eiland zowel belangrijk voor de handel, alsook een strategisch punt in de vele oorlogen tussen Zweden en Denemarken. Kastelen en verdedigingswerken, zoals Borgholm en Gråborg, werden gebouwd om aanvallen te weerstaan. Toch werd Öland regelmatig geplunderd en verwoest, met name tijdens de Deens-Zweedse oorlogen in de 16e en 17e eeuw.

Na de Vrede van Roskilde in 1658, toen Zweden definitief de macht over het eiland behield, keerde de rust terug. Öland bleef echter arm: de opbouw van de grond en harde wind maakten landbouw moeilijk. De bewoners leefden eenvoudig, vaak van visserij en handwerk. In de 19e eeuw dwong armoede velen tot emigratie, vooral naar Amerika.
Toch is Öland altijd een geliefd stukje Zweden gebleven. Hoewel het sinds jaar en dag bestuurlijk bij de provincie Kalmar hoort, was het tot 1972 behoorlijk afgesneden van de rest van het land: er was geen vaste verbinding. Veel Ölänningar herinneren zich die tijd vóór de brug nog goed. Zeker in de zomer hoort men in de rij voor de kassa nog wel eens een nostalgisch geklaag over de tijd zonder wachtrij. Toch klaagt men nooit te hard. Waar eerst de angst voor het verlies van de eigen identiteit heerste, heeft die angst de afgelopen vijftig jaar plaats gemaakt voor economische voorspoed door het toerisme en meer zichtbaarheid binnen de Zweedse staat. En die identiteit? Ook vijft ig jaar later zegt men nog steeds wel eens ‘eerst Ölänningar, dan Zweden’ te zijn.
Geografie
Velen die naar de landelijke gebieden van het Noorden vertrekken doen dit voor de natuur. Wil je zoals velen tussen de oneindige bossen tot rust komen? Dan hoef je niet naar Öland. Bos is er wel, maar dan vooral gevuld met enorme campings die nog best als ‘vakantiefabrieken’ omschreven worden. Nee, op Öland vind je iets totaal anders. Ruim een vijfde deel van het eiland is een savanneachtig landschap: Alvaret wordt dit in het Zweeds genoemd. Dit landschap heeft een bodem van kalksteen en is amper tot niet bedekt met vruchtbare grond. Toch vind je in dit soms dorre landschap tussen het helmgras bijzondere flora en fauna, die soms alleen op Öland te vinden zijn. Vooral de verschillende soorten orchideeën die in de vroege zomer tussen de koeien en runenstenen in het landschap prijken zijn vaak endemisch voor Öland. Dit bijzondere stukje natuur staat sinds het jaar 2000 op de Unesco Werelderfgoedlijst. Waarvoor je trouwens zeker wél naar Öland moet gaan is een Zweedse strandvakantie. Waar de Oostzeekust soms behoorlijk rotsachtig kan zijn heeft Öland, vooral aan de oostzijde van het eiland, een behoorlijke strook met zandstranden. En mocht de wind nou aflandig zijn en het water te koud? Dan is het maximaal zestien kilometer naar de andere kant van het eiland, waar het water tot wel vijf graden warmer kan zijn. Ook vogelspotters kunnen op Öland terecht. Vooral op het Alvar en de zuidelijkste gebieden rond de vuurtoren Långe Erik (op de zuidpunt van het eiland) komen er tijdens het trekseizoen grote aantallen vogels voorbij, onderweg van of naar Norrland.

Zoals ik al noemde is Öland het op één na grootste eiland van Zweden, na Gotland. Gotland is bestuurstechnisch gezien één gemeente. Opvallend genoeg is Öland daarentegen opgedeeld in twee gemeenten: aan de zuidkant Mörbylånga kommun en aan de noordkant Borgholms kommun, terwijl het hele eiland amper de helft van het aantal inwoners heeft vergeleken met Gotland. Zo’n beetje om de tien jaar wordt er weer een referendum gehouden om de twee gemeenten samen te voegen, maar elke keer is het resultaat praktisch hetzelfde. Zo’n 55% van de inwoners stemt nee. De weerstand komt vooral vanuit de zuidkant, mogelijkerwijs omdat de gemeentebelastingen in Borgholm nét iets hoger zijn dan in Mörbylånga.
De grootste stad op Öland is – met een kleine vijfduizend inwoners – Färjestaden. Hier komt de brug vanaf Kalmar uit en is het knooppunt tussen norra och södra ön. Daarna komt Borgholm
met zo’n drieduizend inwoners. Iets verder naar het noorden ligt Byxelkrok. Hier kom je aan met de boot vanuit Oskarshamn, en in de omgeving vind je vooral de ‘vakantiefabrieken’ die ’s zomers volstromen met toeristen. Alle inwonertallen die eerder genoemd zijn slaan overigens alleen op permanente bevolking. Tijdens de zomermaanden explodeert het aantal mensen dat op Öland verblijft tot soms ruim driehonderdduizend. In totaal werden er in 2024 bijna anderhalf miljoen overnachtingen geregistreerd. Daarin zijn ongeboekte overnachtingen, zoals die van Zweden die op Öland een zomerhuisje hebben, nog niet eens meegerekend.
Toeristisch
Mocht je nou zelf een keer naar Öland gaan, hier een paar van mijn persoonlijke favorieten, van zuid naar noord.
Borgholms Slott & Solliden

Al op een afstand zie je hier een enorme ruïne staan. Dit was ooit Borgholms Slott: vele eeuwen het centrum van de Ölandse adel, en tijdens de Kalmaroorlog in 1611 een paar maanden eigendom van de Deense koning Christian IV. Niet ver van de ruïne heeft een wel heel bekende Zweed een ‘zomerhuisje’. Solliden is sinds 1906 hét zomerverblijf van de Zweedse koninklijke familie, en privaat eigendom van de koning. Niet voor niets dat op 14 juli, de verjaardag van kroonprinses Victoria, Öland even in het midden van de belangstelling staat. Denk aan koningsdag in Nederland, maar dan op z’n Zweeds. Borgholms Slott en de tuinen van Solliden zijn ’s zomers te bezoeken.
Byrums Raukar

Nog een stukje Öland op de Unesco Werelderfgoedlijst vind je vlak bij het plaatsje Byrum, aan de noordwestkust. Hier komt een reeks kalksteenformaties op uit de zee. Zo’n twintig raukar – versteende pilaren, uitgesleten door miljoenen jaren erosie – staan in rijen langs de kust. Raukar ontstaan uit een koraalzee, waar zich lagen kalksteen op afzetten. De zachtere gedeelten zijn in de loop der tijd weggesleten, de hardere zijn blijven staan. Dat de raukar ontstaan uit een koraalzee is te zien aan het feit dat er in de stenen overal fossielen te vinden zijn. Kijk hier trouwens ook even richting het noordwesten, daar ligt het eilandje Blåkulla. Volgens het Zweedse volksgeloof zouden op Witte Donderdag de heksen daarnaartoe vliegen om te feesten met de duivel.
Sandvik & Jordhamn
Aan de rand van dit dorpje staat een molen. Kijk er even naar. Ziet er vrij bekend uit toch? Dat is namelijk omdat dit de grootste ‘Nederlandse’ molen van Zweden is. Nederlands als in het type molen met een vaste onderbouw en daarop een kop die men naar de wind richt. Mocht men honger krijgen, kan je in het café bij de molen een typisch Ölandse snack geserveerd krijgen: Kroppkakor. Deze kleine balletjes van aardappeldeeg zijn gevuld met vlees en worden vaak als lunch geserveerd met wat gezouten boter, krösamos (lingonsylt in lokaal dialect) en een glas melk. Ietsjes verder naar het noorden, net buiten Sandvik bij de steengroeven van Jordhamn, staat trouwens een klassieke Zweedse molen. Deze draait in zijn geheel rond: alleen de poot waar de boel op rust staat vast. Jordhamn is bovendien een uitstekende plek om ’s avonds naar terug te komen. Het is een van de donkerste plekjes van Öland, waar op heldere nachten de sterrenhemel en de melkweg perfect te zien zijn.


Långe Erik
De iets kleinere broer van Långe Jan staat op het noordpuntje van Öland en is met een kleine klim te bezoeken. Boven op de vuurtoren zie je aan de ene kant Gotland, aan de andere kant Oskarshamn, en achter je ligt heel Öland. De twee lange broers Jan en Erik beschermen samen het prachtige Öland, met haar Alvar, kroppkakor, toeristen en Hollandse molen (en zo af en toe ook mij en de schoonfamilie) van aanvaringen door losgeslagen veerboten naar Gotland en schepen naar Gdańsk die de koers kwijt zijn.
