Beeld: Rick van Staten
Groenland was nog lange tijd onbewoond. Uiteindelijk vestigde rond het jaar 900 de Dorsetcultuur zich in het verre noorden, veel zuidelijker reisden zij echter niet. Zo kon het dat toen de Scandinaviërs in de 11e eeuw voet aan wal zetten in het fjordenlandschap van het zuidwesten, deze praktisch leeg was. Deze kolonisten uit IJsland spraken Oudnoords, dat waarschijnlijk het meest overeenkwam met de variant uit West-Noorwegen. Ondanks de weinige bronnen weten we wel dat de taal op Groenland eigen ontwikkelingen onderging. Zo blijkt uit een korte runeninscriptie op de Kingittorsuaq-steen dat het al snel de þ (th-klank) verloor en daar vervangen werd met een t (vergelijk hoe de naam die in het IJslands Þórðarson is, Tortarson is op deze inscriptie). Net als het IJslands, hield het echter vast aan hl- dat al snel een simpele l- werd in Noorwegen. De steeds minder Noordse Groenlanders hielden het in almaar erbarmelijkere toestanden vol tot aan het begin van de 15e eeuw, maar waren toen al langere tijd geïsoleerd geraakt. Naast enkele runeninscripties en wat ruïnes is daardoor weinig van hun cultuur overgebleven.
Uiteindelijk viel ook de eerdergenoemde Dorsetcultuur in verval, mede door het zich niet kunnen aanpassen aan het nieuwe klimaat door een korte periode van ongebruikelijke warmte in de vroege middeleeuwen. We weten verder niet veel van deze cultuur, bijvoorbeeld wat voor taal ze gesproken zouden hebben, maar zeker is dat er geen genetische link is tussen hen en de bevolking die uiteindelijk Groenland eigen zou maken: de Inuit. Rond de 15e eeuw was de gehele kust van Groenland bewoond door Inuit, die door hun verbeteringen op het gebied van jacht en transport, zoals het gebruik van hondensledes en kajaks, zich gemakkelijker over het hele eiland konden verplaatsen. Belangrijker, in dit geval, is dat wij vrijwel zeker weten wat voor talige achtergrond deze mensen hadden als de voorouders van de huidige Groenlanders. Met de volksverhuizing uit Azië naar Noord-Amerika spreidden ook de Inuit-talen zich uit over het poolgebied.
De Inuit kwamen waarschijnlijk in contact met de Noordse Groenlanders, aangezien beide culturen verhalen hebben over de ander. Ook zijn er mogelijke taalkundige restanten van contact tussen hen, waaronder de vrouwennaam Kuuna (van Oudnoords kona), nisa (bruinvis,

van Oudnoords hnísa), puuluki (varken, van Oudnoords purka) en kuaneq (engelwortel, van Oudnoords hvönn). Het belangrijkste van alle mogelijke leenwoorden uit het Oudnoords is misschien wel Kalaaleq. Toen de Deense missie onder Hans Egede in de 18e eeuw in contact kwam met de Inuit, introduceerden zij zichzelf als karálek. In zijn woordenboek over de Groenlandse taal stelde Egede vervolgens dat dit woord enkel gebruikt werd in contact met vreemdelingen en werd het oorspronkelijk gebruikt door “oude christenen” om hen aan te duiden. Er kan bijna geen andere verklaring zijn dan dat deze “oude christenen” de Noordse Groenlanders waren, die deze vreemde mensen aanspraken met hun woord voor vreemde volkeren uit het verre Westen: Skrælingi. Het woord moge dan wel duidelijk aangepast zijn aan het Groenlandse taalgevoel, de overeenkomsten zijn zichtbaar. Hoewel karálek nog lange tijd vreemd genoeg
lijkt geweest te zijn door enkel gebruikt te worden tegen vreemdelingen, is het tegenwoordig volledig geïntegreerd als aanduiding van Groenlanders onder zichzelf. Een Groenlander is een Kalaaleq en hun land Kalaallit Nunaat.
Vanaf de 15e eeuw was er dus sprake van een Groenland dat alleen nog bewoond werd door Inuit. Toch bleef Noorwegen lange tijd een claim houden op het eiland. Toen Noorwegen in 1537 onderdeel werd van het Deense Rijk, ging ook het ingebeelde eigenaarschap over het eiland over naar de Deense kroon. Vanaf 1605 begon de Deense koning Christiaan IV dan ook schepen te sturen om deze claim te bevestigen en weer contact te leggen met de Noordse kolonie die zij nog altijd dachten te kunnen vinden. In 1721 begon de Deense kroon ook écht macht proberen uit te oefenen door een handels- en kersteningsmissie onder de eerdergenoemde Deens-Noorse priester Hans Egede te sturen. Egede dacht ook dat zijn taak op Groenland voornamelijk zou bestaan uit het bekeren van de Noordse bevolking daar naar het lutheranisme, omdat aangenomen werd dat zij nog altijd katholiek waren gebleven na het vervallen van het contact. Wat hij echter niet wist, is dat er geen Noorderlingen meer over waren, laat staan katholieken. Wat hij wel vond, was de lokale Inuit bevolking. Zij kwamen op dat moment niet alleen voor het eerst in contact met een nogal bleke lutherse priester, maar ook het Deens.
Egede raakte gefascineerd door de voor hem vreemd aandoende taal die zij spraken, tevens vanuit de protestantse overtuiging dat mensen Gods woord moesten binnenkrijgen op een
manier die voor hen begrijpelijk was: hun moedertaal. Egede begon al snel met het vertalen van christelijke werken. De Inuit-taal kwam dan ook voor het eerst op schrift . Maar dit proces hield ook een ontmoeting tussen twee culturen die in hoge maten van elkaar verschilden. De Groenlanders waren een jachtcultuur uit het poolgebied die nu verhalen kreeg over landbouw en heilige herders uit het Midden-Oosten. Enorm veel nieuwe begrippen werden zo geïntroduceerd in de Inuit-taal, waaronder, volgens een

bekende volkslegende, het woord “brood”. Egede had volgens deze legende zo veel moeite met het vertalen van de welbekende christelijke frase “geef ons heden ons dagelijks brood” dat hij het in eerste instantie maar had vertaald met “geef ons heden ons dagelijkse zeehond”.
Na de stichting van de missie-kolonie werd al snel ook op Groenland, net als op IJsland en de Faeröer, een handelsmonopolie ingesteld door de Deense gezaghebbers. Ook op Groenland maakten Deense handelaren als enige de dienst uit. Toch werd er, net zoals op IJsland, alles aan gedaan om het contact tussen de Deense handelaren en de Groenlanders zo minimaal mogelijk te houden. Dit beleid was nog intenser op Groenland dan elders, omdat de Deense autoriteiten uiteindelijk goed doorhadden waar de Groenlanders het koninkrijk in konden dienen: het bemachtigen van dure zeehondenvachten en walvistraan. Toen de Europese boerenlevensstijl na een korte proefperiode geen voet aan wal wist te krijgen, was het beter om dan maar Groenland volledig af te sluiten van de wereld. De Groenlanders zouden anders gecorrumpeerd worden door Europese gebruiken en te lui worden om te jagen, waar zij nou net zo behendig in bleken te zijn. Groenlanders kregen zo dus alleen contact met Deense handelaren, die bovendien slechts een aantal soort producten aan hen dienden te verkopen gericht op de jacht. In deze tijd ontwikkelde het Groenlands zich dus in zekere zin hermetisch afgesloten van de buitenwereld verder, los van een houtje-touwtje handelsgesprek eens in de zoveel tijd met de lokale Deense koopman.
Na het afschaffen van de Deense handelsmonopolie werd Groenland steeds meer staatsrechtelijk geïntegreerd in het Deense koninkrijk. Tegelijkertijd was de opbrengst van de walvis- en zeehondenjacht steeds minder winstgevend en werd door Europese bestuurders steeds meer aangedrongen op een modernisatie van het vakgebied. Er werden almaar meer Deense ambtenaren gestuurd, die ook maar al te graag meer de lokale bevolking zouden inzetten in het stichten van een winstgevende kolonie. Er kwam daardoor steeds meer en intensiever contact tussen Groenlanders en Europeanen. Anderzijds bood de intensivering van de jacht naar Europese handelsbelangen ook de Groenlanders zelf de kans om zich beter te organiseren. Er werd namelijk een systeem van lokale representatie opgezet, waar de beste jagers uit de gemeenschap ook een bestuurstaak op zich kregen. Het doel hiervan was om een verantwoordelijkheidsgevoel mee te geven aan de Groenlanders, terwijl de Denen met dit geniepige systeem meer vis-, walvis- en zeehondenproducten konden bemachtigen. Hoewel deze politieke deelname gedwongen was, zorgde dit er wel voor dat Groenlanders en het Groenlands een rol kregen op het bestuurlijke toneel. De spreektaal was hier nou eenmaal het Groenlands en alle discussies eromheen, waaronder in de media zoals de pas opgezette krant Atuagagdliutit, ook. Het Groenlands kreeg een rol in alle delen van de samenleving.

Deze kranten laten vooral een heel interessante ontwikkeling op talig gebied zien in het Groenlands. De nieuwe tijd met al haar innovaties leidde tot een zoektocht naar woorden die ze goed omschreven. Opvallend genoeg werd er amper gebruik gemaakt van leenwoorden uit het Deens, maar werden constant nieuwe woorden bedacht. Een krijgsschip werd bijvoorbeeld umiarsuit sakkutuut (umiaq “kano”, –suaq “groot”, –it meervoudsmarkering; sakku “schietwapen”, –tuuq “ergens veel van hebben”; oftewel, een grote kano met veel schietwapens). Ook
een woord als kerk, waar de meeste talen een leenwoord uit het Latijn hebben, lijkt totaal niet op het Deens en is in het Groenlands dan ook oqaluffik (oqaluppoq “spreken/prediken”, –vik “plek, tijd”). Dit alles desondanks het feit dat het Groenlands heel makkelijk woorden grammaticaal kan opnemen. Zolang er een -i achter wordt gezet, kan in principe elk woord uit elke taal overgenomen worden en grammaticaal kloppen.
Wellicht is dit te danken aan de grote talige verschillen tussen het Groenlands en het Deens. Het Groenlands staat bijvoorbeeld geen samenvoegingen toe, het liefst moet de kern van het woord in een enkele lettergreep te pakken zijn. Dit komt omdat het een analytische taal is waarbij een reeks aan achtervoegsels met vaste (grammaticale) betekenissen een woord allerlei ladingen kan geven. De taal werkt eigenlijk als een Lego-set (excuus voor deze koloniale vergelijking), waarbij elk blokje op zichzelf staat maar samen een groter geheel vormt en een nieuwe betekenis krijgt. Ook fonetisch ligt het Groenlands ver af van het Deens. In tegenstelling tot het Deens, dat een van de talen is met de meeste klinkers, heeft het Groenlands er slechts drie “a”, “i” en “u”. Weliswaar kunnen die laatste twee in vervoegingen verschijnen als “e” en “o”, maar in principe zijn ze niet betekenisdragend. Ook staat het Groenlands amper medeklinkercombinaties toe, deze waren namelijk bijna allemaal geassimileerd. Zo is het bekende Inuit-woord igloo in het Groenlands illu geworden, waarbij de –gl– combinatie versimpeld werd tot –ll-. Een gemiddeld Deens woord wordt daardoor maar een moeilijke bedoeling.
Toch gebeurde het wel dat Deense woorden hun intrede deden in het Groenlands. Zo werd præst (priester) al vroeg opgenomen in het Groenlands en daardoor volledig verbogen naar de Groenlandse fonetische en grammaticale regels. Er werden wat klinkers toegevoegd zodat er geen medeklinkers elkaar hoefden aan te raken en de vreemde Deens-Noorse “r” (Egede was een Noor) werd een makkelijkere uit te spreken “l”: palasi. Ook namen als Søren, Karl en Pauline werden zo Suulit, Kaali en Paaliit. Hier zien we nog een totale assimilatie aan Groenlandse fonetische regels, maar hoe meer contact Groenlanders hadden met de Denen, hoe minder woorden aangepast werden. Rond 1900 werd daardoor een woord als hiisti (paard) een mogelijkheid, ondanks de aanwezigheid van een medeklinkercombinatie. De gewenning met het eerder o-zo-vreemde Deens na het midden van de vorige eeuw leidde er uiteindelijk toe dat vandaag de dag vrijwel elk Deens woord in het Groenlands gebruikt kan worden, zolang er die handige -i achter het woord wordt gezet. Een woord dat eerder onmogelijk leek voor Groenlandse oren, zoals vekselstrøm of ingeniør, kan nu eenvoudig opgenomen worden als vekselstrømi en ingeniøri.
Dat groeiende contact met het Deens heeft geen onschuldige reden, verre van. De afstandelijkheid van de Deense overheid nam met grote snelheid af in de 20e eeuw. Het Deens werd vanaf 1925 aan alle kinderen geleerd, wat sindsdien nog altijd een verplichting is op het eiland. Het einde van de Tweede Wereldoorlog in 1945 luidde de échte kolonisatie van Groenland in, wat echter onder mom van dekolonisatie werd doorgevoerd. Groenland werd namelijk in 1953 een Deense gemeente, wat inhield dat het eiland ook aan Deense normen moest voldoen wat betreft levenskwaliteit en economische houdbaarheid. Het moest snel moderniseren volgens de Deens regering, wat in de praktijk neerkwam op het alsmaar “Deenser” maken van de samenleving. Het Deens kreeg daardoor een steeds prominentere rol op het eiland. Denen werden bijvoorbeeld aangemoedigd om naar Groenland te vertrekken, vooral in opkomende sectoren, om als experts te dienen. Maar ook het Deens onderwijs werd uitgebreid. Het Deens moest de brug vormen tot een moderne westerse maatschappij, een sleutel tot onderwijs en daardoor uiteindelijk wetenschappelijke, sociale en economische welvaart. Er kwam daardoor een heftige tweedeling in het land, waarbij kennis van het Deens een belangrijke pijler vormde. Als je Deens kon, kon je met heel veel moeite hogerop komen in de maatschappij. Zo niet, pech. Dit leidde tot een generatie die zich geen plek wist te bemachtigen op de sneltrein der modernisatie en daardoor in depressie belandde, die maar al te vaak werd opgelost door heil te zoeken in drank en ongevraagde seks.
De effecten van deze tweedeling zijn nog altijd voelbaar. Onder veel Groenlanders is er nog altijd het gevoel dat zij gezien worden als minderwaardig. Enige waardigheid is hersteld toen het eiland in 1979 zelfbestuur toegekend kreeg als eigen land binnen het Deense Rijk, dat nog uitgebreid werd in 2008. Met de komst van zelfbestuur werd de status van het Deens iets onderuitgehaald. Terwijl het Groenlands als enige benoemd werd tot landstaal, kreeg het Deens naast het Engels een plek als een van de erkende talen. Toch blijft er sprake van een ongemakkelijke situatie, waarbij het Groenlands, ondanks zijn status als hoofdtaal, niet dezelfde rechten lijkt te verlenen aan zijn sprekers als die van het Deens.
Van elke twee Groenlanders, stopt er namelijk één met zijn scholing voordat hij ooit voet heeft gezet op de middelbare school. Deze hoge mate van vroegtijdige schoolverlating heeft alles te maken met het feit dat de meeste lessen op de middelbare in Groenland gegeven worden in het Deens. Het schoolmateriaal wordt voornamelijk geïmporteerd uit Denemarken en ook de meeste docenten zijn Deens, omdat er een tekort blijft aan vakkennis op verschillende gebieden onder Groenlanders. Als je naar de universiteit wil gaan, moet je het al helemaal hebben van je Deens-kennis. Er is namelijk maar één universiteit op Groenland, die weinig kan aanbieden omdat deze pas recentelijk is opgericht. Voor andere vakgebieden moet men daardoor vrijwel altijd naar Denemarken, tenzij men rijk genoeg is om elders te studeren. Op IJsland mag men dan wel zeuren over de Deense les en alsnog genieten van een goede opleiding in Denemarken; op Groenland blijken de meeste dat niet eens te kunnen halen. Wellicht komt dit door het simpele feit dat veel moedertaalsprekers van het Groenlands niet genoeg in contact komen met het Deens, maar zeer waarschijnlijk speelt ook het trauma van de snelle “dekolonisatie” en danificatie die daar een gevolg van was een rol. Een gevoel van trots op de moedertaal verdwijnt dan al snel als sneeuw voor de overweldigende Deense zon.

Het is dan ook geen wonder dat vaak het ballonnetje op is gegaan om het Engels in te voeren als officiële werktaal op Groenland, het liefst nog voorgetrokken in vergelijking met het Deens. Waar het Deens nu nog erg dominant is zodra er hogerop in de samenleving gekeken wordt, zou dat in de toekomst makkelijk het Engels kunnen worden. Veel Groenlanders leren van jongs af aan al Engels via (sociale) media, zoals vrijwel alle kinderen in het Westen. Daarnaast zou het Engels makkelijk de taken vervullen die het Deens nu vervult en misschien nog wel beter ook. Deens geeft misschien wel toegang tot topuniversiteiten in Denemarken met een Deens stipendium op zak, het Engels geeft toegang tot vrijwel elke universiteit in de wereld. Ook wint het Engels het van het Deens in contact met andere Noorderlingen, die het toch al vaak de moeilijkst verstaanbare taal vinden en daardoor toch al liever Engels spreken. Als laatste wordt het Engels maar al te graag aangenomen in Groenland om toenadering te zoeken tot zijn Angelsaksische buren: Canada en de VS. Engels als dominante taal naast het inheemse Groenlands zou contact tussen de drie landen kunnen versoepelen. Een dergelijke band zou ook Groenland als entiteit los van Denemarken versterken. Als het Engels dan uiteindelijk die levensbelangrijke rol van het Deens kan overnemen, is er ook steeds minder reden om de politieke banden aan te houden. Het Engels, dat zo verspreid is geraakt mede door koloniale politiek, kan zo toch worden ingezet voor antikoloniaal beleid.
De toekomst van het Deens op Groenland is dus onzeker, alhoewel het op dit moment nog ongelooflijk sterk aanwezig is tegen wil en dank van vele bewoners. Nooit zal de taal het eiland écht verlaten, aangezien belangrijke en noodzakelijke woorden voor de huidige maatschappij ontleend zijn uit het Deens. Denk maar aan telwoorden boven de twaalf, ze zijn allemaal Deens met minimale aanpassing. Dit betekent dat ook Groenlanders vastzitten aan de belachelijke berekening die halvfjerds is, waar ze zelf dan ook nog eens vervoegingen bij hebben bedacht: halvfjerdsinik. Het Deens heeft dus een
blijvende impact gemaakt, maar of het nog de oppermachtige rol kan blijven hebben die het nu al eeuwenlang heeft gehad in het Groenlands dagelijkse leven, staat op glad ijs.


Dit artikel is voor een groot deel gebaseerd op het boek Sprog- og kulturkontakt i Vestnorden, over de talige ontwikkeling en contacten tussen de Westnoordse landen Noorwegen, de Faeröer, IJsland en Groenland. Bij dit laatste boek zijn met name de bijdrage van Karen Langgård van interesse geweest. Langgård is professor Groenlands aan Ilisimatusarfik, de Universiteit van Groenland, en ging in haar bijdrage aan het boek in op de opname van leenwoorden uit het Deens.
