Van boven op het dek had ik het landschap willen vatten.
Mijn camera, scherpzinnig en opmerkzaam, probeerde te bevatten,
de schoonheid van de bestemming
en benieuwd naar mijn vangst, bladerde ik door de vierkantjes.
Daar trof ik een oude man, verkleumd op een vlot te midden van een fjord,
nog net aan land gehouden door een ketting van rood, wit, blauw en gele kraaltjes.
Hij was aan boord gestapt met de hoop op een vogelvlucht,
meegesleurd door fascinatie voor Noords gebruik en nooit beducht
om omringd te zijn door heldergroen en tweemaal een reddingsboei.
Als een gekronkelde boom met takken van taal,
nam hij de omgeving in zich op enkel non-verbaal.
Hij staarde naar een kind dat keilt met een kei.
Ook al had het ambitie, het is geen wedstrijd.
Knielende toeristen naast een afvalberg.
Afbladderende verf op een scheepswerf.
Een herrezen Atlantis in iemands tuin.
Geen schoorsteen, maar een vlaggenstok als speer aan elk huis.
Plantsoen van olietonnen in barakken.
Een Deense fiets met een kapotte trapper.
Plots overvalt hem de gespannen hemel,
dan spijt het hem dat hij nog zo weinig weet,
dan is hij liever doof en steekt
zijn kop in het zand.
Wat is het dat deze plek beweegt?
Welke stof houdt hier stand?
Een vuurtoren lijkt onherkenbaar,
dus de man klampt zich vast aan de reling.
Zijn disbalans valt hem zwaar,
een confronterende ingeving,
een haastige blik op het grijs en grauw.
Een eeuwige dauw.
Zijn modderige wandelschoenen aaneengeknoopt met een veter,
het bestaan lijkt plots onzeker.
Toen klom hij met een ladder zo de zee in.
Hij keerde elke steen van de bodem,
op zoek naar bewering en verwering
en hapte met een mond vol water naar adem.
Dan ziet hij een verrekijker,
die zijn blik verruimen kan.
Een plons in het water!
Het is zijn camera die tot zinken kwam.
Hij luistert naar de melodie van zachte golven,
die geen treinreis doen ontsporen.
Opgekropen in zijn regenjas,
trok zijn kleur weer langzaam bij.
De wolken spanden samen
en niets kreeg hem nog klein.
Aanbidder van de regen
en van het landschap dat ze voedt:
een bergpas bezaaid met veldbloemen is wat hij ontmoet.
Hij zette zijn voeten in de aarde,
begroef zijn hakken in het zand
en hier kwam even de tijd tot stilstand.
Nu hij weet hoe hij een kroon besteden kan.
Trapt hij harder en fietst de fiets mee.
Hij droomt van een bloedmaan die neergaat onder het oogverblindende ijs.
Omarmd door de zee en de wind,
is het een wonderbaarlijk alternatief dat hij hier vindt.
Dan is de zon een zomers geschenk aan het herfsttij.
Hij hoort het water stromen,
kijkt omhoog: laat de regen maar komen
en de eerste druppels laten zich vallen…
Een hagelbui stort zich uit over Noorse vissersboten,
verkleurd, maar met onverwoestbare motoren.
Meegesleurd door de wind en de regen
is het hem nu om het even.
En toen het schip vertrok,
nam hij zijn hoed af en wuifde naar iedere patrijspoort
en boven hem voltrok:
een schitterend oranje vuur.
Vijf zwanen trokken naar de horizon, net op de grens van het laatste uur.
Volkomen voldaan slaakte de man een zucht:
Een eeuwige vogelvlucht.
