Beeld: trippa.se
Door: Clementine Vrooland
Heja, gemenskapsanda!
Op de ene plek ben ik geboren en getogen…
Op de andere plek zal ik vermoedelijk altijd gezien worden als de nieuwkomer…
Onlangs vierden ze allebei hun 750ste verjaardag; Amsterdam en Gamleby.
Iets meer dan twee jaar geleden verruilde ik als ras-Amsterdamse mijn stadse rijtjeshuis voor een vrijstaand huis in een dorp aan de zuidoostkust van Zweden. Van 900.000 naar 3000 buren. Van baksteen naar träfasad. Van erfpacht naar eigen grond. Van bedelende reigers bij de viskraam naar zeearenden cirkelend over de vik. Van uitzicht op betonnen hoogbouw naar in groen gehulde bergtoppen. Van anonimiteit naar gemeenschapszin.
Ik kan nog lang doorgaan met het noemen van tegenstellingen.
Ik had daar graag mijn eerste stukje voor Noorderlicht aan gewijd. Misschien was ik wel verzand in het beschrijven van archetypische emigratieverwonderingen. Dat had me – achteraf gezien – best bevredigend geleken. Ik had met u kunnen delen hoe ik af en toe met verve de ‘gekke-buitenlander-joker’ trek als ik mij in een culturele spagaat bevind. Of een opsomming van grappige ‘falska språkvänner’ opgemaakt. Of verteld hoe ik de Zweedse werkvloer beleef, hoe het schoolsysteem verschilt, hoe de ongeschreven fika-regels luiden. Misschien was dát leuk geweest voor de lezer die zelf met de gedachte speelt om Nederland in te ruilen voor een van de Scandinavische landen. Of had ik u misschien verveeld met die thematiek? Het valt mij immers op dat menig emigratieprogramma op tv al zulke onderwerpen behandelt…
Laat mij hier daarom iets delen waarvan ik hoop dat u het nooit hoeft te beleven. Iets verdrietigs en ontwrichtends, maar toch ook hoopgevend en hartverwarmend.
Net nadat de allerlaatste verhuisdozen waren uitgepakt en ons gezin het nieuwe ‘thuis’ aan de Oostzee had gevonden en het prille wortelen was begonnen, stonden wij afgelopen herfst op het punt om met een schaal vol huisgemaakte chokladbiskvier de verjaardag van manlief te vieren. Tot plots het horen van een paniekerende zoon: “Mama, mama, brand!” roet in het eten gooit.
Kort na die kreet probeer ik de telefonist van 112 uit te leggen wat er aan de hand is, dat er brand is uitgebroken in een van de kinderkamers. Maar opeens kan ik helemaal geen Zweeds meer, ik begrijp ook niet meer wat er aan de andere kant van de lijn wordt gezegd. Ik zie donkere rookwolken opdoemen. Alle kinderen en manlief staan godzijdank buiten. Trillend, huilend en niet wetende wat te kunnen doen na mislukte bluspogingen van de jarige. Gelukkig is onze buurman brandweerman, dus roep ik naar mijn oudste: “Ren naar de buren!” Daar komt Mackan aangerend, neemt de telefoon over, rent om het huis en instrueert vakkundig de nooddienst aan de andere kant van de lijn.
Een paar minuten later rent een team van de dorpsbrandweer in vol ornaat met gasmaskers en waterslangen mijn lieve, mooie, oude houten huis binnen. Wij staan verslagen en in paniek toe te kijken.
Plots valt mij opeens iets op: de helft van de brandweerlieden bestaat uit kennissen, collega’s en vrienden van ons. Sterker nog: teamleden van de andere groepen die geen dienst hebben en die we tot onze prille vriendenkring mogen rekenen, staan in burgerkleding net zo hard mee te helpen. Een heldhaftige uiting van gemeenschapszin. Ik voel me opeens een beetje ‘gedragen’ door alle bekende gezichten.
Ik voel me opeens een beetje ‘gedragen’
door alle bekende gezichten
Het nieuws spreidt zich als een lopend vuurtje dat óns huis in brand staat. Zelfs de lokale krant is snel ter plaatse. Een paar jaar geleden is een ander houten huis om de hoek tot op de laatste plank verbrand en in die lange geschiedenis van Gamleby hebben meer verwoestende branden huisgehouden. Het is een algemene angst en iedereen lijkt mee te sidderen van schrik. De een na de ander stuurt sms’jes, komt naar buiten of op ons af.
We worden vrij snel uit de rook en in huis gehaald door een buurvriendin om letterlijk op adem te komen en te wachten op nieuws. Haar man Tobbe is de dienstdoende brandweerchef. De vrouw van Mackan is er ook en helpt ons met de kinderen, terwijl grote troostpizza’s van de dorpspizzaboer op de keukentafel verschijnen. De deurbel gaat; twee van mijn collega’s van de folkhögskola vertellen dat we op het internaat kunnen komen wonen. De rector van de jongsten stuurt bijna tegelijkertijd een sms dat ook hij een woonruimte voor ons kan inrichten.
Onzekere uren later als het door ons zo geliefde huis van binnen verkoolde bovenverdiepingen telt en het bluswater op onze houten huiskamervloer centimeters hoog staat, worden we door nog meer vrienden geholpen om spullen uit het huis te sjouwen. Redden wat we redden kunnen. Wat we vinden is verbrand, door roet verknald of kleddernat. Materiële zaken…
Maar we hebben elkaar! Zelfs de huisdieren hebben het overleefd en de buitenkant van het huis staat nog overeind. In de dagen erna beleven we nog meer de kracht van de dorpsgemeenschap: vanuit werkelijk alle hoeken en gaten worden er kleren, speelgoed, meubels en Kalle-tidningar geregeld. Maaltijden worden langsgebracht, regeldingen uit handen genomen en mentale steun geboden. Zelfs financiële donaties stromen binnen via het betaalsysteem Swish. En bij de kassa van de ICA krijgen we iedere keer een hart onder de riem gestoken. Het is ongelooflijk en hartverwarmend hoe we worden gesteund door Gamleby med omnejd.
Een week later zitten we opnieuw aan de keukentafel van onze brandweervriend Tobbe. Hij vertelt hoe zwaar het blussen was geweest. Hoe groot de verwoesting had kunnen zijn. Hoe goed de teams samenwerkten en hoe ze net dat kleine beetje extra verantwoordelijkheid voelden omdat dit in hun eigen vriendenkring gebeurde. Hij vertelt dat voor hen natuurlijk het allerbelangrijkste is dat wij het hebben gered. Maar ook hoe fantastisch het zou zijn om met het team te mogen komen kijken als het huis weer in glorie is hersteld.
Omarmd door een lokale deken van liefde drogen wij dankbaar onze tranen en blikken voorzichtig weer voorwaarts. Volgende juletid hopen we in ons feniks-huis het glas te kunnen heffen met alle lieve bybor die ons hebben geholpen en gesteund. Wij, de stadse nieuwkomers uit het buitenland, voelen helt och hållet dat we ertoe doen in het dorp en dat we ons welkom mogen voelen in ons nieuwe thuisland.
Heja Gamlebys gemenskapsanda!
