Illustratie: Rick van Staten
Eenmaal aangekomen op IJsland ging ik op zoek naar een volksdansvereniging. Wetende dat dergelijke verenigingen uitermate levendig zijn in Zweden, Noorwegen, Denemarken en Finland dacht ik die moeiteloos te zullen vinden. Zeker in een land als IJsland, zo trots op zijn verleden en erfgoed als het is, moest dit makkelijk te doen zijn. Op zich klopte dat, Þjóðdansafélag Reykjavíkur “Volksdansvereniging Reykjavík” kwam al snel tevoorschijn op mijn zoekresultaten – maar de website leek uit een eerder decennium te komen.1 Ik vreesde het ergste maar besloot toch een mail te sturen naar het aangegeven e-mailadres. In mijn nogal beperkte IJslands destijds schreef ik dat ik interesse zou hebben om deel te nemen aan het verenigingsleven en vooral de jongerengroep die aangegeven stond op de website. Ik wil er graag aan herinneren dat deze website eruitzag alsof hij uit 1990 kwam en dus onzeker was of die “jongerengroep” wel nog zo jong zou zijn. Tevens moest ik vermelden dat ik nog niet heel uitmuntend IJslands sprak; met als kers op de taart de belangrijke toevoeging dat ik geen enkele danservaring had. De kans dat dit ooit zou uitkomen op iets leek zeer gering.
Toch kreeg ik een antwoord van ene Atli. Een heel vriendelijk antwoord nog wel, want mijn onkunde in zowel dans als de taal maakte weinig uit. Ik moest gewoon komen en het uitpro-beren. Twee weken later stond ik in de diepste duisternis van de IJslandse avond te zoeken op een nogal desolaat winkelcentrumterrein naar de danszaal. Eenmaal gevonden bleek het een overrompeling te zijn aan ervaringen. Ik mocht meteen meedoen, zonder uitleg over enig pasje, nadoen was het devies. Bovendien ging dit over danssoorten waar ik nog nooit over gehoord had; naast de enigszins bekende polka en wals werd er gesproken over ræll, skottís, mazúrka, gömlu dansir en söngdansir. Ondanks de overvloed aan informatie in een taal die ik niet machtig was en een motoriek die mijlenver achterliep op de anderen had ik mij kostelijk vermaakt. Hier was een klein groepje jonge, enthousiaste, aardige mensen die een nogal obscure passie hadden. Het bleek namelijk dat volksdans helemaal niet zo belangrijk was op IJsland, nog erger, veel IJslanders weten niet eens van het bestaan af van hun eigen traditionele dansen. Desondanks was er deze kleine groep die het tegendeel wilde bewijzen. Het enthousias-me in deze mensen liet mijn reeds brandende interesse in volkscultuur nog verder opbloeien. Ik besloot verder te gaan.
Leggjum land undir fót
Een belangrijk onderdeel van het proces was het langzaamaan uitpakken van de enorme doos aan terminologie. Hoe heten al die bewegingen die ik nou eigenlijk doe? Om jullie de anderhalve jaar moeite te besparen waar ik me doorheen heb geworsteld een kort overzicht. Gömlu dansarnir, de oude dansen, zijn een vaste set aan populaire dansvormen in de Noordse landen.
Voor IJsland zijn het de volgende soorten;
allereerst waar ik zelf al bekend mee was: vals (wals) is een dans op muziek op een drie-kwartsmaat (vaak beschreven als hoem-pa-pa) wat eigenlijk bestaat uit naar voren en achteren stappen met een nadruk op de tenen. Polki (polka) is een dans op muziek in
Voor mij is er weinig zo leuk gebleken als in een volle
ruimte een ringdans te doen
en iedereen mee horen (proberen) te zingen
een snelle twee- of vierkwartsmaat die bestaat uit een serie van kort-kort-lange stappen. Ræll (reel) is een net zo levendige volksdans die ook wordt gedanst op een twee- of vierkwartsmaat. Skottís (schottische) wordt gedanst op tweekwarts- of 2/2-maatsmuziek waarbij afgewisseld wordt tussen een wisselpas en een vorm van draai. Mazúrka (mazurka) is een dans in driekwartsmaat met een extra nadruk op de tweede tel met een kenmerkend haakvormig schopje. Overduidelijk is dat geen van deze dansen uit IJsland komt, skottís en ræll komen van de Britse eilanden, mazúrka uit Polen en vals en polki uit de Duitstalige landen. Eenmaal aangekomen op IJsland zouden ze hier ook een eigen vorm krijgen die voor mij onderhand bekend aanvoelt.
Deze vijf hierboven beschreven dansvormen zijn bekend in alle Noordse landen en zijn daar min of meer vergelijkbaar. Met een repertoire aan rælar, polkar, valsar, skottísar en mazúrkur kan je overal in het Noorden terecht op de dansvloer en zal een mogelijke partner uit een ander land je moeten kunnen volgen. Maar voor een echte IJslandse belevenis moet de focus gelegd worden op de zogenaamde sagnadansar of ringdansen. Deze worden gedanst op zogenaamde kvæði, traditionele gezongen gedichten, en bestaan in principe uit een simpele beweging van een stap naar rechts en twee stappen naar links. Een groot deel van het plezier bij het dansen van sagnadansar is het gezang en met name de repliek. Sagnadansakvæði kunnen eeuwenlang duren, waardoor meestal maar één of twee mensen het hele lied kennen. Elke strofe bevat echter een terugkerende frase, die je met een beetje geluk na twee strofes wel kent. Voor mij is er weinig zo leuk gebleken als in een volle ruimte een ringdans te doen en iedereen mee horen (proberen) te zingen.
Overigens is het belangrijk om op te merken dat de IJslandse moderne sagnadans voor een groot deel te danken is aan Faeröerders, die de traditie als enige in leven wisten te houden van de middeleeuwen tot vandaag de dag. Daar is de traditie het meest levende en onder de IJslandse volksdansenthousiastelingen is menig Faeröerder een volksheld. Het is namelijk niet mogelijk om op de Faeröer te wonen en géén ringdans en bijhorende kvæði uit het hoofd te kennen. Uniek IJslands zijn ringdansen dus niet, zoals wel vaker worden ze gedeeld met hun Atlantische broertjes. Bovendien is de moderne sagnadans het resultaat van het harde werk van de Noorse Hulda Garborg die alle Noordse landen afging en uiteindelijk Faeröerse ringdansen en Noorse pasjes en liederen bij elkaar toevoegden. Op IJsland werd specifiek deze stijl van ringdans populair en houden IJslanders er meer van om hun ringdansen gecompliceerder te maken dan Faeröerders. Hoewel de “een stap rechts, twee stappen links” de basis blijft , kan de dans moeilijker worden gemaakt met sprongen, draaiingen en andere speciale voetbewegingen. IJslanders hebben dan bijvoorbeeld wel weer een speciaal dansspoor voor hun ringdansen, het zogenaamde vikivakispoor, wat simpelweg een wisselspoor naar links is en één stap naar rechts. Deze pasjes zijn net zo “uniek IJslands” als de bijzondere extra gang tölt van IJslandse paarden.
Óli, óli skans.
Vissulega vildu fáir vera í sporum hans.
De beschreven dansen stellen echter weinig voor zonder dansers om ze daadwerkelijk te dansen. Zoals eerder gezegd is die gemeenschap echter niet zo groot als hij zou kunnen zijn, zeker in vergelijking met andere Noordse landen. Voor vele IJslanders blijkt hun eigen volkscultuur nogal ver af te staan van hun moderne dagelijkse levens, ondanks het feit dat IJslanders over het algemeen een grote waardering lijken te hebben voor hun geschiedenis en cultuur. Wellicht is het de snelle modernisatie
van IJsland na 1945 die een levendige volks-cultuurscène de nek heeft omgedraaid. In vergelijking met Amerikaanse jazz, swing-dancing en autocultuur zijn de oude volks-dansen van IJsland misschien stoffig, traag en ingetogen. Ook in de andere Noordse landen zijn traditionele vormen van handenarbeid, muziek en dans uit de mode gegaan einde 20e
Volkscultuur en -dans zijn uiteindelijk tradities die levende blijven voor een reden. Ze stammen uit een rijk verleden maar zijn altijd meebewogen met de ″gewone″ mensen waaruit hij is ontstaan
eeuw maar hebben ze toch een aardige heropleving doorgemaakt de afgelopen tijd. Zeker in Noorwegen is volkscultuur iets geworden van en voor de jongere generatie Noren. Geen beter voorbeeld van deze heropleving van volkscultuur onder jongeren zijn nachtclubs die zich volledig focussen op volksdans en -muziek. Volkscultuur kán dus hip zijn, maar op IJsland lijkt dit nog niet altijd het geval.
Die eerdergenoemde jonge enthousiastelingen doen hun entree, onder leiding van ring(dans)leider Atli. De missie is het weer zichtbaar maken van volkscultuur in de publieke ruimte en een volkscultuurscène diens levendigheid niet onder doet aan de Faeröer. Een onderdeel ervan zijn maandelijks georganiseerde evenementen – Sagnavökur genaamd – rondom de IJslandse sagnadansar en bijhorende kvæði in de bar Ægir in het centrum van Reykjavík. Ze wekken de aandacht onder menige voorbijganger, die door de ligging van de bar in de kelder gebukt naar binnen staren naar de zingende, draaiende ring van mensen. Een open hand biedt ze aan om mee te doen en verrassend vaak wordt op die uitnodiging ingegaan. Wie die geïnteresseerde is kan enorm verschillen, van de niets-begrijpende verdwaalde toerist tot tieners die een avondje stappen zijn.
Blijkbaar heeft volkscultuur nog altijd een aantrekkende kracht, voor allerlei soorten mensen. Voor mij zijn de Sagnavökur ook een belangrijk onderdeel geworden van mijn sociale leven hier op IJsland. Hier heb ik mensen met gemeende interesses leren kennen, want naast volksdansers komen hier mensen met interesse in geschiedenis, folklore, dichtkunst en zijn ook mediëvisten, folkloristen, hoogleraars IJslands en een verdwaalde Faeröerder op zoek naar “Faeröerse dansen” geen vreemde gezichten op deze avonden. Het allerleukste is echter dat het uiteindelijk een bonte boel is van mensen vanuit de hele wereld, met allerlei interesses en achtergronden die uiteindelijk samen zijn gekomen op een avond om deze ene traditie levende te houden. Een traditie die voor mij vooral ook blijdschap en onvergetelijke vriendschap gegeven heeft.
Volkscultuur en -dans zijn uiteindelijk tradities die levende blijven voor een reden. Ze stammen uit een rijk verleden maar zijn altijd meebewogen met de “gewone” mensen waaruit hij is ontstaan. Ook nu gaat volksdans dus een nieuwe richting op onder invloed van jongeren. Er wordt gedanst in bars, volksdracht wordt gecombineerd met felle haarkleuren en gemengde paren dansen naast paren van hetzelfde geslacht. Volkscultuur is overgegeven van generatie op generatie en nu zijn wij, die kleine groep enthousiastelingen waar ik me nu toe mag rekenen, het nieuwe volk die nu onze eigen vorm van volkscultuur schaapt.
Voor de nieuw ontwaakte volksdanser is het handig om te weten over de evenementen die de Noordse volksdansverenigingen samen onder de noemer Nordlek om de zoveel jaar organiseren. De grootste hiervan, ook Nordlek geheten, is een groots festival voor volksmuziek en -dans die om de drie jaar in een van de Noordse landen wordt georganiseerd. Op dit festival komen folkloreverenigingen van Groenland tot Finland samen om aan het grote publiek hun kunsten te vertonen. Via de website van Nordlek is het mogelijk om participerende verenigingen te vinden, al zijn er in elk land veel meer verenigingen die niet lid zijn van deze overkoepelende organisatie. De eerstvolgende Nordlek vindt in 2027 plaats in Denemarken, aangezien de vorige net vorig jaar geweest is. IJsland vormt de uitzondering qua organisatie van Nordlek omdat het zijn eigen equivalent heeft, Ísleik genaamd. Ísleik zal deze zomer [2025, red.] van 14 tot 20 juli plaatsvinden in Úlfarsárdalur, Reykjavík.
1 Inmiddels is deze bijgewerkt tot moderne standaarden, neem vooral een kijkje op ‘thjoddans.is’
