De zomer van 1976, ergens in Noorwegen

Vandaag de dag past Noorwegen goed thuis in het rijtje dat onder andere bestaat uit: Venetië, Mallorca en Dubrovnik. De gemene deler? Massatoerisme. Luxe cruises langs Vestlandet, Noorderlichttoerisme en de 'Disneyficatie' van binnensteden; de afgelopen jaren is de toerist in Noorwegen – van Kristiansand tot Tromsø – niet meer weg te denken. Vijftig jaar geleden was dit wel anders.

Beeld: “Norway anno 1970” door janter2, CC BY-NC 4.0

In de milde winter van 1976 schreef mijn opa, Joost Dijksman, brieven naar twee verenigingen in Noorwegen: Bondekvinnelag en het Lærerlag. De inhoud bestond uit een beschrijving van hun familie en de wensen wat kamperen betreft. Het doel was namelijk om de zomervakantie in het land van bergen en fjorden door te brengen. Geïnspireerd door de voorafgaande zomer, toen kampeerden ze in de omgeving van Örebro (Zweden). Daar waren ze in aanraking gekomen met het concept allemansrätten; zo was kamperen wel heel erg leuk!

De gezelschappen publiceerden begin maart een oproep in de gelieerde agrarische- en onder-wijskrant. De weken daarop klepperde de brievenbus te Almen (gelegen in de Achterhoek) op-vallend vaker dan normaal. Achtentwintig enveloppen, met rechtsboven een kleine afbeelding van Preikestolen, een portret van de Noorse schrijver Olav Duun of een landsschapsschilderij van Lars Hertervig. Uren duurde het om alle brieven, die zowel in het Noors als in het Engels geschreven waren, te beantwoorden.

Drie adressen werden gekozen, waarna de kampeervakantie naar Noorwegen van start kon gaan. In een bruine Austin Allegro met twee kinderen op de achterbank, één kind in de kat-tenbak en achter de auto een aanhangkarretje, arriveerde de familie op 6 juli in de haven van Gothenburg. Vanaf hier werd koers gezet naar de eerste bestemming: een grote boer met megabedrijf in Hobøl, ten zuiden van Oslo.

“Noorwegen had toen nog veel grindwegen, op de E6 liepen koeien en er waren veel minder tunnels,” schrijft mijn opa over de mail. Na een rit van om en nabij vier uur, werd de eerste stop bereikt. De grote boerderij lag een eindje van de doorgaande weg, maar de Noorse familie had de juiste route gemarkeerd door naast de weg een tractor te plaatsen, met daarop een wapperend vlaggetje en zwaaiende zoon.

Buiten in de grote tuin werden ze hartelijk ontvangen; de eerste echte ontmoeting met Noren. Op de gedekte picknicktafel stond een royale schaal met kjeks, de Noorse kinderen namen het ene na het andere koekje. Anders dan in Nederland, waarbij tijdens de thee de deksel maar eventjes van zijn koektrommeltje wordt gescheiden.



Maar ook het landschap was verschillend. Met rondom Hobøl, glooiende groene heuvels en schiervlaktes. Vanaf de grote boerderij werden uitstapjes gemaakt naar het Vigelandpark en naar een berghut in Blefjell. Sinnataggen, fjorden en uitgestrekte ruige berggebieden, dit was wel wat anders dan het kenmerkende coulisselandschap van de Achterhoek. Dit gold ook voor de volgende locatie: Gudbrandsdalen – de geboortegrond van de Noorse volksheld Per Gynt. Hier woonde een kleinere boer met zijn vrouw, die bij de nabijgelegen telefooncentrale werkte. Dit was voordelig, want zo was bellen naar Nederland gratis.

Na verloop van tijd werden ook de benodigde Noorse woorden opgepikt, bijvoorbeeld door te luisteren naar het uitvoerige Noorse weerbericht via de autoradio. Al snel werd begrepen dat ‘oppholdsvær’ en ‘pent vær’ betekende dat de volgende dag een mooie wandeling gemaakt kon worden en ‘litt regn’ dat de tent weer zeiknat zou worden. Tijdens een bezoek aan de lokale kerk, kwam de Nederlandse vakantiegangers ook serieuzere Noorse kost ter ore. Mijn opa vergeet dan ook nooit meer de zin: “man, vær forsiktig for evig fordømmelse.”

Eeuwige verdoemenis bleef gelukkig uit. Maar door een vreselijke storm en regenval op de laat-ste bestemming, Måndalen aan het Romsdalsfjord, leek het net alsof de tien plagen in plaats van Egypte, Noorwegen hadden bereikt. Hierna werd huiswaarts gekeerd, terug door het afwis-selende landschap, ongeveer 250 kilometer per dag.

Een jaar later, in de zomer van ‘77, werd de reis wegens succes herhaald. De brieven werden weer uit de kast gehaald en één adres werd toegevoegd aan het al bestaande rijtje: Øvre Eidfjord, een klein plaatsje in de provincie Vestland. Tijdens de vorige vakantie was het duidelijk geworden dat die Noren wel van zoete alcoholische drankjes houden. Daarom werd de aanhangwagen deze keer niet alleen volgeladen met kampeerbenodigdheden, maar ook met de nodige wijn en likeur.

Aangekomen in Øvre Eidfjord werden ze ontvangen door de directeur van het plaatselijke mo-derne schooltje. Het schoolplein diende als kampeerplek en de lerarenkamer en het sanitair stonden ook tot de beschikking.

Wijn was in Noorwegen blijkbaar nog niet echt in; de Noren deden suiker in de rode wijn om het wat zoeter te maken. De likeur viel daarentegen goed in de smaak. Zo goed zelfs dat de vrouw van de schooldirecteur vrolijk deelnam aan het drankgelag, terwijl ze ondertussen be-stuurslid was van het plaatselijk comité dat het overmatige drankgebruik in dit West-Noorse dorpje moest reguleren.

Wederzijdse bezoekjes door de jaren heen, naar nieuwe adressen, bruiloften en vakanties; het contact met de families uit Hobøl en Øvre Eidfjord is altijd gebleven. In 2008 kreeg ik mijn eerste zwemles in het Heggefjord van de dochter van de schooldirecteur, vlak bij hun huis in Heggenes naast de Jotunheimen.

En misschien komt het precies hierdoor dat al die toeristen nu naar Noorwegen komen. Niet door gondels, lange mooie stranden of Game of Thrones, maar: grote koektrommels, afwisse-lende majestueuze landschappen, kneuterige landelijkheid, verwelkomende likeur-drinkende Noren en zwemmen in koud water tussen de hoge bergen.

Door: Kas Gubbels

Geschreven door